Expertmeeting Jasper J van Dijk – Instituut voor Publieke Economie

Leeratelier: Overleven ten tijde van tweedeling, armoede in perspectief

In Nederland zijn er talloze regelingen bedoeld om mensen met een laag inkomen te ondersteunen. Toch blijkt uit onderzoek van het Instituut voor Publieke Economie dat deze ondersteuning vaak niet toereikend is. Jasper van Dijk, onderzoeker bij het instituut, presenteerde de bevindingen van het rapport Eerlijker en eenvoudiger armoedebeleid aan het leeratelier. Zijn boodschap was helder: het huidige systeem is te complex, te ongelijk en te inefficiënt. En dat moet anders.

Het onderzoek richtte zich op 21 gemeenten en bracht in kaart welke inkomensafhankelijke regelingen er zijn, hoe ze werken, en wat het effect is op het inkomen van huishoudens. Daarbij werd gekeken naar vier voorbeeldhuishoudens, waaronder een stel met twee kinderen. Voor dat huishouden bleek dat gemeentelijke regelingen tot wel 7% van het totale inkomen kunnen uitmaken. “Dat is ongeveer net zo veel als de zorgtoeslag of de kinderbijslag,” aldus Van Dijk. “Dus het doet er echt toe.”

Toch is het systeem niet alleen belangrijk, maar ook problematisch. Er zijn grote verschillen tussen gemeenten in hoeveel regelingen er zijn, hoe ruimhartig ze zijn, en hoe toegankelijk ze zijn. In sommige gemeenten kunnen huishoudens honderden euro’s meer krijgen dan in andere. Dat leidt tot onbegrip en ongelijkheid. “Mensen verhuizen en denken: ik kon daar gebruikmaken van een regeling, waarom hier niet?”

De complexiteit van het systeem zorgt er bovendien voor dat veel mensen die recht hebben op ondersteuning, daar geen gebruik van maken. In sommige gevallen maakt meer dan de helft van de rechthebbenden geen gebruik van gemeentelijke regelingen. Dat komt deels door onbekendheid, maar ook door schaamte, wantrouwen en ingewikkelde procedures. Zoals een deelnemer opmerkte: “Het is niet alleen een communicatieprobleem. Mensen hebben geleerd om het zelf te doen, en als ze dan toch hulp vragen en van het kastje naar de muur worden gestuurd, dan haken ze af.”

Een schrijnend voorbeeld is de kwijtschelding van lokale lasten. Dat is een van de bekendere regelingen, maar ook een van de strengste. “Voor sommige mensen is dat hun eerste contact met armoederegelingen,” vertelde Van Dijk. “En als ze dan worden afgewezen, denken ze: zie je wel, dit is niet voor mij. Terwijl ze misschien wel recht hebben op andere regelingen.”

De onderzoekers pleiten daarom voor een fundamentele herziening van het systeem. Niet door alles te centraliseren of juist alles lokaal te houden, maar door een slimme verdeling te maken. Sommige regelingen lenen zich bij uitstek voor landelijke uitvoering, zoals de kinderopvangregeling, de laptopregeling, de studietoeslag en de collectieve zorgverzekering. Andere regelingen, zoals de individuele bijzondere bijstand, woonkostentoeslag en vervoersregelingen, kunnen beter lokaal blijven, omdat ze inspelen op lokale omstandigheden.

Daarnaast is het belangrijk om het aantal regelingen terug te brengen. In de onderzochte gemeenten werden in totaal 90 unieke regelingen gevonden. Een gemiddelde gemeente had er 15. Dat is veel, zeker als je bedenkt dat daarbovenop ook nog landelijke regelingen bestaan. “We hebben participatieregelingen gezien die allemaal goed bedoeld zijn, maar samen een web vormen waar mensen in verstrikt raken,” aldus Van Dijk.

Een ander belangrijk punt is de vorm van ondersteuning. Gemeenten bieden hulp in natura, via tegoeden of in geld. De onderzoekers pleiten ervoor om, waar mogelijk, geld te geven. Dat biedt meer keuzevrijheid, vermindert stigma en is vaak goedkoper in uitvoering. “Een euro in geld is meer waard dan een tegoed van een euro,” zei Van Dijk. “Want soms heb je iets anders nodig.”

Toch kiezen gemeenten vaak voor tegoeden of spullen, mede omdat ze formeel geen inkomensbeleid mogen voeren. “Als je geld geeft, lijkt dat op inkomensbeleid. En dat mogen gemeenten niet doen. Maar als je een fiets geeft, mag het wel.” Die juridische grijsheid zorgt ervoor dat gemeenten terughoudend zijn, terwijl ze juist willen helpen.

Daarom pleit het instituut voor een ‘menukaart’ met toegestane armoederegelingen binnen de huidige wetgeving. Zo weten gemeenten wat wel en niet mag, en kunnen ze eenvoudiger beleid voeren zonder bang te zijn voor juridische problemen. “Als blijkt dat er weinig mag, is dat ook winst,” zei Van Dijk. “Dan is dat een aanleiding om politiek in actie te komen.”

Een ander belangrijk thema is toegankelijkheid. Sommige gemeenten doen al veel om drempels te verlagen. Zo gebruiken ze de Voorzieningenwijzer, sturen ze vooraf ingevulde aanvraagformulieren op, of werken ze met inkomensverklaringen die toegang geven tot meerdere regelingen. In Helmond bijvoorbeeld hoeven mensen met zo’n verklaring zich niet meer apart aan te melden bij instanties als Leergeld of de Voedselbank.

Toch blijft persoonlijk contact essentieel. “Niet iedereen gaat makkelijk mee met digitalisering,” zei een deelnemer. “Je moet oog houden voor mensen die moeite hebben met internet of post.” In Sittard-Geleen is er een regisseur armoede die als aanspreekpunt fungeert voor collega’s en inwoners. Dat helpt, maar is ook een symptoom van een te complex systeem. “Als je een regisseur nodig hebt om het systeem te begrijpen, dan is het systeem te ingewikkeld.” Ook de houding van medewerkers is belangrijk. Thijs geeft aan dat het belangrijk is dat het armoedebewustzijn van professionals wordt versterkt. Sensitief werken, mensen serieus nemen, en niet te snel oordelen. Een ervaringsdeskundige geeft aan: “Want het verschil tussen wel of geen hulp krijgen, hangt soms af van wie je tegenover je hebt.”

Het onderzoek eindigt met een aantal concrete aanbevelingen. Maak het geven van geld eenvoudiger voor gemeenten. Stel landelijke kaders en expertise beschikbaar. Ontwikkel een kennis- en datacentrum met informatie over toegang, gebruik, effectiviteit en kosten van regelingen. En vooral: vereenvoudig het systeem.

“Als je morgen de voorzieningenwijzer, de regisseur en alle maatwerkoplossingen niet meer nodig hebt, dan is het feest,” zei Van Dijk. “Want dan hebben we het systeem eindelijk goed ingericht.”

De presentatie eindigde met een uitnodiging om duidelijkheid te geven. En aan iedereen die met armoedebeleid te maken heeft, om samen te werken aan een systeem dat wél werkt. Eerlijker. Eenvoudiger. En menselijker.

Wat betekent dit voor de praktijk:

  1. Maak gebruik van proactieve toekenning en vereenvoudig aanvraagprocedures
    Gemeenten kunnen veel winnen door regelingen automatisch toe te kennen of vooraf ingevulde formulieren te versturen. Combineer dit met eenvoudige aanvraagroutes via bijvoorbeeld de Voorzieningenwijzer of een gemeentelijk portaal. Denk niet alleen in termen van communicatie, maar in het wegnemen van structurele drempels.
  2. Investeer in mensgerichte uitvoering en sensitiviteitstraining
    Medewerkers die armoederegelingen uitvoeren, spelen een cruciale rol. Zorg voor training in sensitief werken, herken schaamte en wantrouwen, en wees alert op signalen van hulpbehoefte. Een afwijzing op de ene regeling moet niet het einde zijn van het gesprek, maar het begin van doorverwijzing naar andere mogelijkheden.
  3. Streef naar structurele vereenvoudiging en samenwerking
    Breng het aantal regelingen terug, voeg waar mogelijk samen, en kies vaker voor geld in plaats van tegoeden of spullen. Werk samen met andere gemeenten en aan een landelijke menukaart en een gedeeld kenniscentrum. Zo ontstaat er meer overzicht, meer gelijkheid en meer ruimte voor maatwerk waar het écht nodig is.

Over dit etalage werk

Leeratelier Overleven ten tijde van tweedeling
Auteur/ontwikkelaar Joost Weling
Jaartal 2025
Type werk Expert Meeting

Over de auteur/ontwikkelaar

Joost Weling

Joost Weling

Joost Weling is opgeleid tot sociaal pedagogisch hulpverlener (BA) en socioloog (MSc) . Hij heeft gewerkt als woonbegeleider in de ggz en vervolgens is hij aan de slag gegaan aan hogeschool docent. Hij is nu als docent-onderzoeker verbonden aan het lectoraat Sociale Integratie. Als docent-onderzoeker houdt hij zich bezig met onderwerpen als sociale ongelijkheid, sociale dynamiek in buurten en sociale rechtvaardigheid. Bij de Werkplaats Sociaal Domein Zuyd is hij ‘kartrekker’ van een tweetal leerateliers. Zowel van het leeratelier macht en onmacht van gemeenschappen als van het leeratelier overleven in tijden van tweedeling, armoede in perspectief.