Hanne van Regenmortel, Christophe Teirlinck
Inleiding
Het Vlaams Netwerk tegen Armoede is een koepelorganisatie die zich inzet voor de structurele bestrijding van armoede in Vlaanderen. Het netwerk bestaat uit 61 lokale verenigingen, verspreid over het Vlaamse en Brusselse gewest. Deze verenigingen worden “verenigingen waar mensen in armoede het woord nemen” genoemd. Ze zijn lokaal verankerd en vormen een brug tussen mensen in armoede en het bredere maatschappelijke en politieke veld.
De kracht van het netwerk ligt in de combinatie van basiswerking en beleidsdialoog. De basiswerking omvat praktische ondersteuning zoals voedselbedeling, hulp bij administratie, vorming en groepsactiviteiten. De beleidsdialoog richt zich op het beïnvloeden van lokaal en Vlaams beleid, waarbij de stem van mensen in armoede centraal staat.
Wat het netwerk uniek maakt, is de inzet van ervaringsdeskundigen: mensen die zelf armoede hebben meegemaakt en hun ervaring inzetten om beleid te verbeteren. Zij worden erkend als experts in hun domein. Hun kennis is essentieel om de realiteit van armoede zichtbaar te maken en om beleidsmaatregelen te toetsen aan de praktijk.
Het netwerk werkt volgens zes participatiecriteria, waaronder het actief zoeken naar mensen in armoede, hen samenbrengen in groep, het woord geven, werken aan emancipatie en aan maatschappelijke structuren. Deze criteria zijn verankerd in het Vlaamse wetgeving gericht op armoede en vormen de basis voor erkenning en subsidiëring van de verenigingen.
Daarnaast organiseert het netwerk overleggroepen per thema (zoals wonen, werk, onderwijs, gezondheid), waarin signalen uit de verenigingen worden verzameld en geanalyseerd. Deze signalen worden vervolgens vertaald naar beleidsaanbevelingen en ingebracht in overleg met ministers en ambtenaren
Het netwerk streeft naar een samenleving waarin mensen in armoede niet alleen gehoord worden, maar ook actief kunnen deelnemen aan het beleid dat hen raakt.
Beleidswerk en participatie
Een van de kernpijlers van het netwerk is het structureel beïnvloeden van beleid op basis van de ervaringen van mensen in armoede. Dit gebeurt via een zorgvuldig opgebouwd proces van signalering en analyse; aanbevelingen opstellen; dossier schrijven en standpunt bepalen; standpunt bespreken via de politiek, sociaal werkorganisaties, de publieke weg. De aanpak vertrekt vanuit het principe: “Niets over ons, zonder ons.”
Het beleidswerk begint bij signalen die worden opgevangen in de verenigingen. Deze signalen komen voort uit groepsgesprekken, individuele verhalen en dagelijkse praktijkervaringen. Wanneer meerdere verenigingen gelijkaardige signalen melden, wordt duidelijk dat er sprake is van een structureel probleem. Deze signalen worden geanalyseerd en gebundeld in overleggroepen per thema, zoals wonen, werk, onderwijs, gezondheid en inkomen.
In deze overleggroepen werken vertegenwoordigers van verenigingen, vaak ervaringsdeskundigen, samen met medewerkers van het netwerk om de signalen om te zetten in beleidsaanbevelingen. Deze aanbevelingen worden niet alleen opgesteld door professionals, maar in nauwe samenwerking met de mensen die de problemen zelf ervaren. Dit zorgt voor een sterke inhoudelijke basis én legitimiteit.
Een belangrijk instrument in de beleidsdialoog is het Verticaal Permanent Armoede Overleg (VPAO). Dit is een wettelijk verankerd recht van het netwerk om minstens twee keer per jaar in overleg te gaan met Vlaamse ministers en hun kabinetten. Tijdens deze overleggen worden de signalen en aanbevelingen rechtstreeks besproken met beleidsmakers. Cruciaal is dat mensen in armoede zelf aanwezig zijn bij deze gesprekken. De participatie van mensen in armoede is geen symbolisch gebaar, maar een fundamenteel onderdeel van het beleidsproces. Het netwerk erkent ervaringskennis als volwaardige vorm van expertise, naast academische en professionele kennis. Toch is deze aanpak niet zonder uitdagingen. Participatie vraagt tijd, vertrouwen en ondersteuning. Niet iedereen voelt zich meteen klaar om deel te nemen aan beleidsgesprekken. Daarom investeren de verenigingen in groeitrajecten, waarbij mensen stap voor stap worden begeleid van bezoeker naar vrijwilliger, en eventueel naar beleidsbetrokkene of ervaringsdeskundige.
Het publieke spoor richt zich op sensibilisering en beeldvorming. Armoede wordt in de samenleving vaak nog gezien als een individueel probleem, veroorzaakt door persoonlijke keuzes. Het netwerk wil dit beeld doorbreken en duidelijk maken dat armoede een structureel maatschappelijk probleem is. Jaarlijks organiseert het netwerk campagnes rond 17 oktober, de Wereldwijde dag van Verzet tegen Armoede. Deze campagnes worden samen met mensen in armoede ontwikkeld en uitgevoerd, en focussen op thema’s zoals onderwijs, wonen of werk. Ze bestaan uit getuigenissen, acties, persberichten en sociale media-inhoud.
Daarnaast is het netwerk actief in de media. Door verhalen en standpunten te delen, beïnvloeden ze het maatschappelijk debat. Dit heeft vaak een indirect effect op beleid: wanneer een thema breed wordt opgepikt, voelen politici zich sneller geroepen om actie te ondernemen.
Een bijzondere uitdaging is dat het netwerk gesubsidieerd wordt door de Vlaamse overheid, maar tegelijk ook kritisch moet zijn op datzelfde beleid. Dit vraagt om een zorgvuldige balans tussen onafhankelijkheid en samenwerking. Transparantie, dialoog en het betrekken van mensen in armoede bij de strategie zijn essentieel.
Het streven is telkens een beleid dat beter aansluit bij de realiteit van mensen in armoede. Tegelijk leidt het tot persoonlijke groei en maatschappelijke erkenning voor de deelnemers. Beleidswerk en participatie zijn in deze visie geen aparte werelden, maar twee zijden van dezelfde medaille.
Het netwerk heeft in de loop van de tijd ook een aantal lessen geleerd. Ten eerste blijft het netwerk opboksen tegen individueel schuldmodel en korte termijnoplossingen die gezocht worden door professionals en politici. Ten tweede zien zij dat er alleen maar wordt geluisterd naar het levensverhaal of de ‘getuigenis’: medelijden of liefdadigheid, maar vervolgens geen acties worden ondernomen of dat het niet leidt tot rechtvaardigheid. Ten derde heeft het netwerk geleerd dat werken aan structurele veranderingen zeer lang duurt. Tenslotte betekent de wettelijke verankering niet dat dit vanzelfsprekend is. Het netwerk moet blijven knokken voor diens bestaansrecht.
Case Gelijke Onderwijskansen
Een concreet voorbeeld van hoe het netwerk structureel beleidswerk verricht, is de langdurige inzet rond het thema onderwijskansen. Hoewel onderwijs in België grondwettelijk als kosteloos recht is vastgelegd, blijkt in de praktijk dat veel kinderen in armoede geconfronteerd worden met hoge schoolkosten. Dit belemmert hun toegang tot kwaliteitsvol onderwijs en vergroot de sociale ongelijkheid.
De eerste signalen over dit probleem kwamen al in 1995 vanuit de vereniging in Aalst. Ouders hadden moeite om schoolfacturen te betalen en kinderen gingen zonder boeken naar school. De vereniging startte met vormingen voor leerkrachten en richtte een spelotheek op. In 1998 werd een visie ontwikkeld rond schulden op school.
Toen het netwerk in 2003 werd opgericht, werd het thema opgenomen in een overleggroep onderwijs. In 2013 leidde dit tot media-aandacht voor onbetaalde schoolfacturen, wat een politiek debat op gang bracht. In 2017–2018 bleek opnieuw dat veel kinderen zonder boeken aan het schooljaar begonnen. Dit leidde tot de oprichting van de coalitie Samen tegen onbetaalde schoolfacturen.
In 2019 werd een brief gestuurd naar het Vlaams Parlement. De toenmalige minister van Onderwijs stond echter weinig open voor armoedebestrijding. Dankzij een beleidsmedewerker met ervaring in het onderwijs kon het netwerk toch bruggen slaan. Toen zijn detachering in 2020 werd stopgezet, moest het netwerk zelf middelen vrijmaken voor opvolging.
In 2021–2022 werd een nieuw dossier opgesteld over betaalbare leermiddelen. In 2022 ontstond politieke ophef over “lege brooddozen” op school. Politici boden snelle oplossingen, maar het netwerk wees op de structurele oorzaken van armoede.
In 2023 werd een uitgebreid dossier geschreven. In 2024, een verkiezingsjaar, werd het standpunt breed verspreid via campagnes en lobbywerk. De campagne kreeg de titel “Onderwijs is geen luxe”. Uiteindelijk leidde dit tot een beleidsdoorbraak: in het regeerakkoord van 2024 werd opgenomen dat scholen niet langer gebruik mogen maken van dure commerciële invulboeken. Er wordt gewerkt aan meer betaalbare leermiddelen voor alle leerlingen.
Deze case toont hoe volgehouden inzet, samenwerking en ervaringskennis kunnen leiden tot tastbare beleidsverandering. Deze case toont hoe langdurig en volhardend beleidswerk kan leiden tot concrete verandering. Het traject van 1995 tot 2024 illustreert de kracht van samenwerking, ervaringskennis en beleidsdialoog. Het is een voorbeeld van hoe het netwerk structurele ongelijkheid aanpakt via participatie en beleidsbeïnvloeding.
Ervaringskennis als Expertise: van persoonlijke ervaring naar beleidsimpact
Een fundamenteel uitgangspunt van het netwerk is dat mensen in armoede niet alleen betrokken moeten worden bij het beleid, maar dat hun kennis en ervaring erkend moeten worden als volwaardige expertise. Deze ervaringskennis vormt de kern van het netwerk en is essentieel voor het ontwikkelen van effectief en rechtvaardig armoedebeleid.
Ervaringsdeskundigen zijn mensen die zelf armoede hebben meegemaakt en hun inzichten inzetten om anderen te ondersteunen en om beleid te beïnvloeden. Ze zijn geen slachtoffers, maar experten in hun eigen leefwereld. Ze begrijpen als geen ander hoe armoede werkt, welke drempels er zijn en wat er nodig is om die te overwinnen.
Toch is het inzetten van ervaringskennis niet vanzelfsprekend. In de praktijk worden ervaringsdeskundigen vaak onderschat of overschat. Ze worden onderschat wanneer hun bijdrage wordt gereduceerd tot een persoonlijk verhaal dat medelijden opwekt, zonder dat er iets met hun inzichten gebeurt. Ze worden overschat wanneer van hen verwacht wordt dat ze het beleid wel even zullen oplossen.
Het netwerk benadrukt dat ervaringskennis waardevol is, maar ook ondersteuning en erkenning nodig heeft. Ervaringsdeskundigen moeten de ruimte krijgen om hun verhaal te delen, maar ook om te analyseren, te reflecteren en samen te werken met andere vormen van kennis, zoals academische of beleidsmatige expertise.
In Vlaanderen bestaat er een vierjarige opleiding tot ervaringsdeskundige in armoede en sociale uitsluiting. Deze opleiding biedt deelnemers de kans om hun ervaringen te verwerken, te verdiepen en om te zetten in een professionele bijdrage aan armoedebestrijding. Deze opleiding is echter eind 2023 afgelopen door een stopzetting van middelen vanuit de Vlaams regering. De organisatie die deze opleiding faciliteerde, vzw De Link, is ondertussen bezig met een nieuwe opleiding aan het vormgeven, waarbij er een combinatie gemaakt wordt van ervaringsdeskundigheid in armoede en geestelijke gezondheidszorg. Deze opleiding zal 3 jaar duren en het laatste jaar zal vooral gericht zijn op beleidswerk en op masterniveau zijn. Wanneer deze opleiding van start zal gaan is nog niet duidelijk.
De inzet van ervaringsdeskundigen leidt niet alleen tot beter beleid, maar ook tot persoonlijke groei. Veel mensen starten als bezoeker van een vereniging, nemen vrijwilligerstaken op zich en groeien door naar een rol als ervaringsdeskundige. Sommigen vinden zelfs betaald werk binnen het netwerk of in andere organisaties. Dit proces van empowerment is een krachtig voorbeeld van hoe participatie leidt tot maatschappelijke erkenning.
Tot slot is het belangrijk dat ook professionals – zoals sociaal werkers, beleidsmakers en onderzoekers – leren samenwerken met ervaringsdeskundigen als gelijkwaardige collega’s. Dit vraagt om een cultuurverandering, waarin ervaringskennis niet wordt gezien als bedreiging, maar als verrijking.
Een van de meest waardevolle effecten van participatie binnen het netwerk is de persoonlijke groei die mensen in armoede doormaken. Wat begint als een bezoek aan een voedselbedeling of een groepsactiviteit, kan uitgroeien tot een traject van empowerment, maatschappelijke erkenning en zelfs betaald werk.
Veel mensen die vandaag als ervaringsdeskundige of beleidsmedewerker actief zijn, zijn ooit begonnen als bezoeker van een lokale vereniging. In een veilige en warme omgeving konden ze zichzelf zijn, zonder oordeel of verplichtingen. Deze laagdrempelige toegang is cruciaal: het biedt mensen in armoede de ruimte om vertrouwen op te bouwen, hun verhaal te delen en stilaan verantwoordelijkheid op te nemen.
Een eerste stap in dit groeitraject is vaak het opnemen van een vrijwilligerstaak binnen de vereniging. Dit kan gaan van koffie zetten, helpen bij voedselbedeling, administratieve ondersteuning of het begeleiden van groepsactiviteiten. Deze taken geven mensen een gevoel van waarde en betrokkenheid. Ze ontdekken dat ze iets kunnen betekenen voor anderen en voor de gemeenschap.
Vanuit deze betrokkenheid ontstaat vaak de motivatie om zich verder te engageren. Sommige vrijwilligers nemen deel aan overleggroepen, vormingsdagen of campagnes. Ze leren spreken in groep, hun ervaringen verwoorden en analyseren, en bijdragen aan beleidsaanbevelingen. Dit proces wordt ondersteund door vorming, coaching en begeleiding vanuit het netwerk.
Voor een aantal mensen leidt dit zelfs tot een betaalde functie als ervaringsdeskundige, beleidsmedewerker of staflid binnen een vereniging of het netwerk zelf. Voorbeelden zoals Veronique en Cindy illustreren dit mooi. Veronique was jarenlang bezoeker van een vereniging, volgde de opleiding tot ervaringsdeskundige en werkt nu als betaalde kracht in een andere gemeente. Cindy begon als jongere bij een Antwerpse vereniging, groeide door naar een andere werking en werd uiteindelijk aangenomen bij het netwerk zelf.
Deze trajecten tonen aan dat participatie niet alleen leidt tot betere beleidsvorming, maar ook tot persoonlijke emancipatie. Mensen die jarenlang uitgesloten waren, krijgen opnieuw een stem, een rol en een plek in de samenleving. Ze worden niet langer gezien als hulpbehoevend, maar als waardevolle burgers met kennis, ervaring en inzet.
Toch blijft het belangrijk dat deze groei erkend wordt, ook financieel. Veel ervaringsdeskundigen werken nog steeds op vrijwillige basis. Het netwerk pleit daarom voor meer structurele middelen om deze mensen ook daadwerkelijk te vergoeden voor hun werk. Erkenning betekent immers ook: waardering in de vorm van een loon, opleiding en doorgroeimogelijkheden.
Kortom, persoonlijke groei en maatschappelijke erkenning zijn geen bijproducten van participatie, maar fundamentele doelen op zich. Ze tonen de kracht van een aanpak die mensen niet alleen helpt, maar hen ook in staat stelt om zelf mee te bouwen aan verandering.
Armoedetoets
Een van de krachtigste instrumenten in het beleidswerk van het Vlaams Netwerk tegen Armoede is de zogenaamde armoedetoets. Dit is een systematische evaluatie van nieuwe beleidsmaatregelen of wetgeving, waarbij onderzocht wordt wat de impact zal zijn op mensen in armoede. Het doel is om te voorkomen dat nieuwe regels onbedoeld negatieve gevolgen hebben voor kwetsbare groepen, en om tijdig bijsturing mogelijk te maken.
Elke nieuwe Vlaamse regering maakt een Vlaams Actieplan Armoedebestrijding op. Dit plan bevat de beleidsprioriteiten en acties die de regering wil ondernemen om armoede terug te dringen. Het netwerk probeert hier actief invloed op uit te oefenen, onder andere via het Horizontaal Platform Armoedebestrijding, waarin ambtenaren van verschillende departementen samenwerken.
In het regeerakkoord van 2024 zijn op voorstel van het netwerk zes armoedetoetsen opgenomen. Deze toetsen worden uitgevoerd op beleidsmaatregelen die nog niet zijn ingevoerd, maar wel gepland staan. Het netwerk werkt hierbij nauw samen met mensen in armoede én met academische partners. De toetsen zijn dus niet alleen gebaseerd op ervaringskennis, maar ook op wetenschappelijke analyse.
Het proces van een armoedetoets verloopt in verschillende fasen. Eerst wordt het beleidsvoorstel grondig bestudeerd: wat is de doelstelling, wie wordt erdoor geraakt, en welke mechanismen worden in gang gezet? Vervolgens wordt samen met mensen in armoede onderzocht wat de mogelijke gevolgen zijn. Dit gebeurt via groepsgesprekken, interviews en workshops. De resultaten worden gebundeld in een dossier, waarin ook aanbevelingen voor bijsturing worden opgenomen.
Een belangrijk kenmerk van de armoedetoets is dat deze vooraf gebeurt, dus vóór de maatregel wordt ingevoerd. Dit maakt het mogelijk om tijdig aanpassingen te doen en zo negatieve effecten te vermijden. Het is een vorm van preventief beleid, gebaseerd op participatie en rechtvaardigheid.
De uitvoering van een armoedetoets vraagt tijd en zorgvuldigheid. Het netwerk neemt meestal enkele maanden tot een jaar de tijd om het proces goed te doorlopen. Mensen in armoede krijgen zo de ruimte om zich in te werken, hun stem te laten horen en actief mee te denken. Dit versterkt niet alleen de kwaliteit van het beleid, maar ook het gevoel van eigenaarschap en betrokkenheid bij de deelnemers.
De armoedetoets is een krachtig voorbeeld van hoe ervaringskennis en beleidswerk hand in hand kunnen gaan. Het toont aan dat participatie niet beperkt hoeft te blijven tot het delen van verhalen, maar ook kan leiden tot concrete beleidsimpact. Door structureel rekening te houden met de leefwereld van mensen in armoede, wordt beleid ook menselijker.
Verschillen tussen België en Nederland
Tijdens een bijeenkomst over armoedebestrijding werd uitvoerig stilgestaan bij de verschillen tussen België en Nederland.
Een verschil is de ideologische basis van het sociaal werk. In België staat het mensenrechtenperspectief centraal: armoede wordt gezien als een schending van grondrechten. In Nederland ligt de nadruk veel meer op een individualiserende benadering, waarbij mensen in armoede vaak zelf verantwoordelijk worden gehouden voor hun situatie.
Toch zijn er ook in Nederland hoopvolle initiatieven. Ook ATD Vierde Wereld is actief in Nederland, met name in Heerlen, en werkt volgens het principe van dialoog en gelijkwaardigheid. Daarnaast is er de Landelijke Armoedecoalitie, een netwerk van organisaties die zich inzetten voor structurele armoedebestrijding en regelmatig brieven en manifesten stuurt naar de regering. Ook is er in Maastricht een bewonersinitiatief Aanzet, waar mensen met armoede-ervaring zich politiek engageren.
De deelnemers waren het erover eens dat er in Nederland behoefte is aan meer verbinding en samenwerking tussen bestaande initiatieven. Er is veel goede wil, maar te weinig structuur om de stem van mensen in armoede krachtig te bundelen. De Vlaamse aanpak, met zijn wettelijk verankerde participatie en sterke netwerken, werd als inspirerend ervaren.
Een ander belangrijk punt van discussie was de rol van sociaal werkers. In België zijn zij vaak de brug tussen mensen in armoede en het beleid. In Nederland ontbreekt die verbindende rol soms. Het versterken van het armoedebewustzijn van professionals zien de deelnemers als een belangrijke pijler om de praktijk mee te versterken.
Over dit etalage werk
| Leeratelier | Overleven ten tijde van tweedeling |
|---|---|
| Auteur/ontwikkelaar | Joost Weling |
| Jaartal | 2025 |
| Type werk | Expert Meeting |